Omdat het steeds vaker mogelijk wordt om dieren individueel te voeren, ontstaat een kans om drachtige melkgeiten meer naar hun behoefte te kunnen voeren. Dat hebben we bij De Mekkerhof onderzocht en de doelstelling was om te achterhalen of dieren met een grote worpgrootte met een verhoogde gift van transitiekrachtvoer TransPRO 1.0 voldoende ondersteund worden. En of dieren met een kleine worpgrootte met minder TransPRO 1.0 ook voldoende ondersteund worden en economisch interessanter gevoerd kunnen worden.
Onderzoeksopzet
Het onderzoek is uitgevoerd bij 45 transitie geiten in mei 2025. Bij het scannen op dracht is ook de worpgrootte beoordeeld. De geiten zijn op basis van deze gescande worpgrootte ingedeeld in onderstaande groepen. Na aflammen bleken 30 van de 45 geiten in de juiste worpgroottegroep gevoerd te zijn, de andere geiten bleken toch een andere worpgrootte te hebben. Met deze 30 geiten is de rest van de resultaten opgebouwd om tot betrouwbare resultaten te komen.
• Eénlingen (n=14): 0,6 kg/dag TransPRO 1.0, + eiwitbrok + productiebrok
•Tweelingen (n=22): 1,2 kg/dag TransPRO 1.0, + eiwitbrok + productiebrok
• ≥ Drielingen (n=9): 1,8 kg/dag TransPRO 1.0, + eiwitbrok

Gedurende de proef zijn de krachtvoeropname en melkproductie gemonitord. BCS (lichaamsconditie), BHBZ (slepende melkziekte) en calcidiol (vitamine D) zijn op twee momenten gemeten. Ondanks de verschillen in krachtvoeradvies was de krachtvoeropname tussen de groepen vóór aflammeren gelijk. In de eerste week na aflammeren stijgt de krachtvoeropname van de drielinggroep, vanaf twee maanden na aflammeren is de opname tussen de groepen weer vergelijkbaar. Gedurende de proef waren er 5 weken dat het voersysteem onbetrouwbare data teruggaf, die periode is in het grijs gearceerd in de grafiek en nemen we niet mee in de analyse.
Resultaten
Vóór aflammeren hadden de éénlinggeiten een hogere melkproductie, verder zaten er geen verschillen tussen de groepen op gebied van melkproductie. De drielinggeiten waren afgenomen in BCS, de één- en tweelinggeiten waren toegenomen. De BHBZ daalde voor de één- en tweelinggeiten. Voor de drielinggeiten bleef de BHBZ gelijk tussen 2 weken vóór en rondom aflammeren. Het calcidiol steeg voor de één- en tweelinggeiten, bij de drielinggeiten was deze al hoog en verschilde niet tussen de meetmomenten. Er zat geen correlatie tussen de BHBZ-waarde en calcidiol. Er was geen uitval en slechts 2 geiten hebben een behandeling gehad met betrekking tot aflammeren.
Conclusie
Geconcludeerd mag worden uit het onderzoek dat de krachtvoeropname geen effect heeft gehad op de melkproductie. Geiten met een éénling gaven meer melkproductie en worden in minder gevallen drooggezet vóór aflammeren. Er is geen correlatie tussen BHBZ-waarde en calcidiol.
De krachtvoeropname voor aflammeren was gelijkwaardig daardoor kun je niet stellen dat het meer krachtvoer voeren bij grotere worpgroottes ook zinvol is geweest richting melkproductie in de volgende lactatie. Wat we wel zagen is dat er zeer weinig uitval en problemen deze aflamronde zijn geweest. Het aantal dieren per groep is te klein geweest om dit significant ook te kunnen vaststellen.
