De volgende uitdaging voor jongvee
Na een zomer waarin veel aandacht uitging naar het voorkomen van hittestress, verschuift de focus langzaam naar een andere uitdaging: koudestress. Juist de overgang van zomer naar herfst vraagt aandacht. Temperatuurverschillen tussen dag en nacht nemen toe, de luchtvochtigheid stijgt en stallen worden vaker afgesloten om kou buiten te houden. Daarmee neemt echter ook het risico op tocht, een vochtig stalklimaat en een hogere infectiedruk toe.
Vooral jonge kalveren zijn gevoelig voor deze veranderingen. Hun vermogen om de lichaamstemperatuur op peil te houden is nog beperkt en ook het immuunsysteem is nog volop in ontwikkeling. Koudestress is bovendien meer dan een kalf dat het koud heeft. Wanneer een kalf extra energie moet gebruiken om warm te blijven, blijft minder energie beschikbaar voor groei, weerstand en ontwikkeling. Daardoor neemt de kans op gezondheidsproblemen, zoals diarree en luchtwegaandoeningen, toe. Een goed stalklimaat draait daarom niet om het zo warm mogelijk houden van de stal, maar om de juiste balans tussen ventilatie, droge ligplaatsen en het voorkomen van tocht.
Koudestress begint eerder dan veel veehouders denken
Wanneer we aan koudestress denken, denken we vaak aan sneeuw, ijs en temperaturen onder het vriespunt. Voor jonge kalveren ligt die grens echter veel hoger. Door hun relatief grote lichaamsoppervlak, beperkte vetreserve en nog onvolledig ontwikkelde warmteregulatie verliezen zij sneller warmte dan oudere dieren.
Bij pasgeboren kalveren ligt de onderste kritische temperatuur, het punt waarop extra energie nodig is om warm te blijven, rond de 10 tot 15 °C. Een natte vacht, een vochtige ligplaats, wind of tocht kunnen deze grens verder verhogen. Een kalf hoeft het dus niet zichtbaar koud te hebben om al extra energie te gebruiken voor warmteregulatie.
Die energie moet ergens vandaan komen. In de praktijk betekent dit dat energie uit melk of krachtvoer wordt ingezet voor warmteproductie in plaats van voor groei, orgaanontwikkeling of de opbouw van weerstand. Het gevolg is dat de dagelijkse groei afneemt en de gevoeligheid voor gezondheidsproblemen toeneemt.
Koudestress en diarree: meer dan een infectieprobleem
Diarree wordt veroorzaakt door ziekteverwekkers, maar de aanwezigheid van een ziektekiem alleen bepaalt niet of een kalf daadwerkelijk ziek wordt. De weerstand van het dier speelt daarbij een minstens zo belangrijke rol.
Onder invloed van koudestress stijgt de energiebehoefte. Wanneer die extra behoefte niet volledig wordt gecompenseerd met voldoende voedingsstoffen, ontstaat een negatieve energiebalans. Hierdoor blijft minder energie beschikbaar voor het immuunsysteem en krijgen ziekteverwekkers meer kans om zich te ontwikkelen tot een infectie.
Onderzoek laat zien dat stressfactoren, waaronder koudestress, de vatbaarheid voor ziekte kunnen verhogen doordat energie wordt onttrokken aan immuunfuncties. Hierdoor kunnen ziekteverwekkers die aanwezig zijn in de omgeving gemakkelijker tot problemen leiden (Hulbert & Moisá, 2016).
Dit verklaart waarom dezelfde infectiedruk op het ene bedrijf nauwelijks klachten veroorzaakt, terwijl op een ander bedrijf diarree of luchtwegproblemen ontstaan. Met andere woorden: ziekteverwekkers veroorzaken de ziekte, maar koudestress vergroot de kans dat een infectie zich daadwerkelijk ontwikkelt en ernstiger verloopt.
Waarom diarree en longontsteking vaak samen voorkomen
In de praktijk zien dierenartsen regelmatig dat kalveren met diarree enkele dagen later luchtwegproblemen ontwikkelen. Andersom blijken kalveren met een longontsteking vaak gevoeliger voor darmproblemen.
Diarree leidt tot verlies van vocht, elektrolyten en energie, waardoor de weerstand onder druk komt te staan. Tegelijkertijd vraagt een longontsteking veel energie van het lichaam, terwijl zieke kalveren vaak minder drinken en eten. Hierdoor ontstaat een situatie waarin herstel, groei en afweer moeten concurreren om dezelfde beperkte hoeveelheid energie.
Steeds meer onderzoek wijst bovendien op een nauwe relatie tussen darmgezondheid en longgezondheid, de zogenoemde darm-long-as. Veranderingen in de darmflora en afweerreacties in de darm kunnen invloed hebben op de afweer in de luchtwegen en omgekeerd. Hoewel dit onderzoeksgebied nog volop in ontwikkeling is, wordt steeds duidelijker dat een goede darmgezondheid bijdraagt aan een betere algemene weerstand (Budden et al., 2017).
Luchtstromen zichtbaar maken met rookproeven
Een goed stalklimaat valt of staat met een goede ventilatie. Daarbij gaat het niet alleen om de hoeveelheid lucht die de stal binnenkomt, maar ook om de manier waarop die lucht zich door de stal beweegt. Met een rookproef kunnen luchtstromen zichtbaar worden gemaakt. Hierdoor is direct te zien of er sprake is van tocht op kalfhoogte, dode hoeken met onvoldoende luchtverversing of plekken waar lucht juist te snel langs de dieren stroomt. Wat op papier een goed geventileerde stal lijkt, blijkt in de praktijk soms heel anders te functioneren.
Rookproeven geven daarom waardevolle informatie over de daadwerkelijke luchtverdeling in de stal en kunnen helpen om knelpunten in het stalklimaat op te sporen voordat deze leiden tot gezondheidsproblemen.
Voorkomen begint bij management
De beste bescherming tegen koudestress bestaat niet uit een warmere stal, maar uit goed management. Een droog en ruim strobed voorkomt warmteverlies via de ondergrond. Voldoende ventilatie houdt de lucht fris en beperkt de hoeveelheid ziektekiemen, terwijl tocht juist moet worden voorkomen. Daarnaast vraagt koud weer om voldoende energievoorziening, zodat kalveren hun lichaamstemperatuur kunnen handhaven zonder in te leveren op groei of weerstand.
Het is daarbij belangrijk om niet alleen tijdens koude periodes naar het stalklimaat te kijken. Juist de warmste én de koudste dagen van het jaar vormen vaak de grootste uitdaging. Tijdens hete dagen neemt het risico op hittestress toe, terwijl tijdens koude dagen tocht, vocht en een verhoogde energiebehoefte problemen kunnen veroorzaken. Extreme omstandigheden maken zwakke punten in ventilatie, huisvesting en management vaak het snelst zichtbaar.
Daarom loont het om regelmatig kritisch naar de kalveropfok te kijken. Is het ligbed droog? Hoe bewegen de luchtstromen zich op kalfhoogte? Is de ventilatie voldoende zonder tocht te veroorzaken? En krijgen jonge kalveren voldoende energie om veranderende omstandigheden op te vangen?
Het antwoord op die vragen bepaalt vaak meer voor de gezondheid van het jongvee dan de buitentemperatuur zelf. Onze jongveespecialist Esmée denkt graag met u mee over het optimaliseren van de kalveropfok en het stalklimaat op uw bedrijf.