Gooise blik op het platteland

De plattelandsbewoners ontvingen Oliver Goud uit Hilversum met open armen toen hij met zijn familie bij hen in de buurt kwam wonen. Inmiddels heeft de familie haar draai gevonden. 

Familie Goud hielp al regelmatig boerenvrienden met maaien en maishakselen en Oliver bouwde zelfs mee aan de bouw van een nieuwe koeienstal. Zo raakten ze besmet met het ‘buitenvirus’. Toen ze in 2018 iets konden kopen in het buitengebied bij Beek (Montferland), hoefden ze niet lang na te denken. Nu werken ze in de vrije tijd op hun eigen land. Zoon Julian bewerkt met de trekker het grasland. De mavo-scholier denkt er zelfs over om loonwerker te worden.  Oliver: “We blijven natuurlijk hobbyisten met maar 2,5 ha grond. Mensen uit de buurt vinden het vreemd dat we het gras voor de paarden en schapen niet gewoon inkopen; dat is veel goedkoper. Maar het is toch mooi om zelf je gras te telen!” Die passie zien ze ook bij de boeren in de buurt. Oliver: “Als de maiskoorts uitbreekt, merk je hoe gedreven ze zijn. Hun kinderen krijgen dan vaak ‘maispokken’ zodat ze niet naar school hoeven en mee kunnen helpen. Ze maaien en hakselen tot diep in de nacht tot het klaar is.” 

Familie Goud is zeer te spreken over het naoberschap. Oliver: “Je kent en helpt elkaar. Daarom hebben we  ‘buurt gemaakt’.” Oliver en Simone zijn de buurt rondgegaan om zich voor te stellen, maar dat lukte niet op één avond. Ze bleven overal lang hangen en na de koffie kwam de drank op tafel. Nu zitten ze in de buurtapp en Simone zit in de damesapp voor verjaardagen en koffieochtenden. Bij het buurt maken hoorde Oliver voor het eerst het plaatselijke dialect. “Er waren buren bij die ik echt niet kon verstaan. Later werd dat beter, maar sommige boeren versta ik nog steeds niet. Dat plat praten ga ik nooit leren. Ik heb het wel geprobeerd. Dan zei ik ‘nève’ als ik ‘naast’ bedoelde. ‘Doe maar niet’, zei de buurt.”

“‘Doe maar niet’, zei de buurt, als ik plat probeerde te praten” 

Als Gooienaar moest Oliver wel wennen aan het carnavalsfeest. Maar al snel sponsort hij de carnavalsgroep van zijn zoon met hun wagen. Julian heeft met zeven jongens uit de buurt een eigen carnavalswagen gebouwd: een joekel van een locomotief met de tekst ‘Wie bun ’t spoor kwiet’. Oliver: “Ik had me voorgenomen om me nooit te verkleden; dat ging me echt te ver. Maar uiteindelijk loop je dan toch als Eskimo mee in de optocht.”

Familie Goud kan zich inmiddels niets anders meer voorstellen dan een leven op het platteland. Simone: “We leven hier onze droom en zijn helemaal gewend aan het buitenleven. Nou ja; alleen de hond nog niet. Hier poepen de honden gewoon op het erf. Die van ons wil uitgelaten worden aan een lijntje; hij weigert om op het erf zijn behoefte te doen. Terry heeft zich eigenlijk nog het minst aangepast.”