Schik van voer maken

Op een mooie voorjaarsdag in Azewijn spreek ik Cor Berntsen, 88 jaar oud en ooit de trotse ‘mölder’ van de molen die nu nog steeds gevestigd is naast het kantoor van GIJS in Azewijn. Cor, nog altijd vitaal, begint boeiend te vertellen. Over vroeger en nu. 

De eerste molenaar in Azewijn was Albertus Berntsen. Naast 12 kinderen hadden hij en zijn vrouw een boerderij, bakkerij, bierhuis en kruidenierswinkel. In 1855 liet hij een korenmolen bouwen genaamd ‘De Koffiepot’, waarmee hij het graan van de boeren uit de omgeving maalde. In 1905 werd deze vervangen door een stellingmolen uit Noord-Holland. Hiermee werd gemalen door achtereenvolgens zoon Willem Berntsen en kleinzoon Jan Berntsen. 

Vanaf 1935 werd naast gemalen graan ook gemengd voer geleverd: ‘ochtendvoer’ voor legkippen. De Berntsens blijken een echte ondernemersfamilie te zijn. In 1958 nemen Cor en zijn broer Wim Berntsen, de vierde generatie, de molen over van hun vader. Cor: “Als kind liepen we altijd al bij de molen en bakkerij van de familie. Pijp roken met de jongens. Van jongs af aan wilde ik bakker worden, want die koekjes smaakten zo best. Maar toen het puntje bij paaltje kwam, wist ik dat ik ook molenaar zou worden.” Als voorbereiding ging hij op zijn 12de naar de Handelsdagschool in Weert en vervolgens naar de Molenaarsschool in Wageningen. 

Vooral de eerste periode dat de broers aan het roer stonden, is niet te vergelijken met nu. Cor: “Elke ochtend stapte ik op de fiets en nam ik de bestellingen op bij de boeren. Het gemengde graan werd diezelfde dag rondgebracht met paard en wagen. Graan in zakken van 50 kg, mais zelfs in 75 kg! Boeren hadden in die tijd gemiddeld 10 koeien en 80 ‘tuute’ (legkippen). De huishouding, met gemiddeld zo’n 8 kinderen, werd betaald van het eiergeld. Op zondag, na de kerk, kwamen de boeren afrekenen.” Later kwam er een brokkenpers en werden er ‘exotische’ grondstoffen aangevoerd, zoals tapioca en milocorn. Het paard en wagen werden vervangen door een trekker en later door een Welgro ‘peper en zoutstel’ voor 2×2 ton voer. 

Cor begint te stralen als hij verder vertelt: “Het mooiste was altijd het contact met de boeren, tijd hebben voor een praatje. Maar ook belangstelling hebben voor de rest van het gezin. Ik weet nog goed dat we een potje gingen voetballen met de jongens tijdens het volblazen van de silo. Dat ging natuurlijk ook wel eens mis. Toen moesten we 10 ton meel met de hand opruimen.”

In 1993 nam Cor’s zoon Victor het bedrijf over. Cor: ”Victor wilde vooruit en investeerde flink in het bedrijf. Hij liep altijd voorop.” Hij wilde niet ‘de hele dag onder de pers liggen’ en werd dealer van UTD. In 1999 richtte hij samen met Erik Reefhuis, oud-studiegenoot van de HAS in Dronten, Agri Gelre op, dat later fuseerde met De IJsselstreek tot Gelre IJsselstreek, oftewel GIJS. Ze waren succesvol en breidden het aantal klanten flink uit. Helaas is Victor in 2010 overleden. In 2012 namen Reefhuis en de andere vennoten een belangrijke beslissing en gingen als zelfstandig voerleverancier verder.

Cor kijkt met trots terug op de geschiedenis van de Azemse molen en heeft nog steeds schik van het bedrijf. “Ik loop hier nog vaak.” 

“Het mooiste was het contact met de boeren”